Schilijzer

Dit schilijzer werd gebruikt bij het schillen van griendhout, een belangrijk materiaal voor het maken van hoepels rond tonnen. Griendhout werd in verschillende soorten geoogst, elk met een eigen naam en toepassing. Voordat de hoepmaker ermee aan de slag kon, moest de griendwerker de stokken eerst schillen.

Daarvoor zette hij de gehakte stokken in een sloot. Eind april begonnen ze opnieuw uit te lopen, waardoor er een gladde laag tussen bast en hout ontstond. De bast liet dan gemakkelijk los. Bij het schilijzer, dat stevig aan een paal bij de sloot was bevestigd, trok de griendwerker elke stok door de ijzeren wig. Met een paar krachtige bewegingen kwam de bast los en bleef een kale, witte stok over. De bast werd vaak verkocht aan de bakker om de oven mee aan te maken.

Het werk was zwaar en intensief. In de vijf weken dat er in mei werd geschild, vielen griendwerkers soms kilo’s af. Daarom kreeg het schilijzer bijnamen als vleespaal, martelpaal of zelfs moordenaar. Er bestonden verschillende maten schilijzers, passend bij de dikte van de stokken die geschild moesten worden.