Stremselflesjes
Op de balk staan een aantal stremselflesjes. Die horen bij de zelfkazerij. Het maken van kaas op de boerderij was vroeger belangrijk. Goede kazen konden de boerenfamilie tot een zekere welstand brengen. De melk bracht immers minstens 10 % meer op wanneer je die had verkaasd!
Als de boer met zijn knechten en/of meiden omstreeks zes uur in de morgen èn aan het einde van de middag hadden gemolken, werd deze direct via een wattenfilter in een grote ronde tobbe gedaan. Deze wringtobbe had een inhoud van 200 liter of meer. Eerst werd de melk op een temperatuur van 28 °C gebracht. Vervolgens werd stremsel en zuursel toegevoegd. Stremsel is een product afkomstig uit de lebmaag van nuchtere kalveren wat ervoor zorgt dat de melk dikker wordt.
Zuursel bestaat uit melkzuurbacteriën die van belang zijn voor de rijping, smaak en houdbaarheid van de kaas. De boerin maakte iedere dag nieuwe zuursel door een beetje van het oude zuurstel toe te voegen aan gekookte melk. Hierin lag al een begin van de kwaliteit van de toekomstige kaas.
Door het toevoegen van zuursel en stremsel werd de melk een dikke, puddingachtige massa. Dit noemt men wrongel. De wrongel wordt geroerd en gesneden. Hierdoor ontstaat een scheiding tussen de wrongel en het vloeibare bestanddeel – de wei. Daarna wordt de wrongel uit de bak in de kaasvaten gedaan. Wanneer de kaasvaten gevuld zijn gaan ze onder de kaaspers. Nadat de nog witte kaas enkele keren is gekeerd, verhuizen ze naar de pekelbak voor korstvorming en de smaak, om tenslotte op kaasplanken te worden gelegd. Kaasmaken was een arbeidsintensief proces, waar de boerin veel zorg aan besteedde.