Op het museumerf staan meerdere gebouwen

HOOFDGEBOUW

 

Het Hoofdgebouw

Het hoofdgebouw bestaat uit een grote boerenhofstee. Op de woonheuvel waarop deze is gebouwd, stonden eeuwen terug al houten boerderijen. In het laatste kwart van de 17e eeuw werd De Koperen Knop gebouwd. Het voorhuis in steen en het achterhuis in hout. Het houtwerk werd in de loop van de eeuwen vervangen door steen en zo ontstond de boerderij in haar huidige vorm. De Koperen Knop werd ‘uit rijke beurs’ gebouwd en ook nadien waren de bewoners bemiddelde mensen, zodat er altijd veel aan de boerderij is verbouwd en bijgebouwd.

In het voorhuis woonde destijds een herenboer, die veel bestuursfuncties in de Alblasserwaard had. Het dagelijks werk liet hij veelal over aan de meiden en de knechten.
De bijgebouwen bestaan uit een theehuisje, een hoepelmakerij, een smederij, een wagenschuur en een stookhuisje. Hier vinden regelmatig werkzaamheden plaats. In de tuin is het heerlijk toeven en rond het museum kunnen verschillende wandelingen worden gemaakt.

Tot 1970 herbergde de stal vee. In dat jaar verhuisde de toenmalige boer in het kader van de ruilverkaveling naar Groningen. Familie De Kok-de Vos kocht het sterk in verval geraakte pand, restaureerde het voorhuis en maakte er een woning in. In het stalgedeelte kwam later een veevoederhandel en later een antiekzaak.

De Koperen Knop rond 2010

De Koperen Knop rond 1925

De Waterzolder

OVERSTROMINGEN
De streek had regelmatig te maken met wateroverlast. Er zijn minstens 33 overstromingen geweest. Soms bleef het water meer dan een jaar op het land staan. Voor vee en huisraad moest dan een hoge verblijfplaats worden gevonden. Onder meer op de dijk of rondom de kerk. In de stal was vroeger een verhoogd gedeelte, de waterstal.

WATERZOLDER
Toen er kort achter elkaar meerdere watersnoden waren maakten veel boeren een waterzolder, boven het rijgebint, direct achter de brandmuur. Op korte afstand van elkaar legde men op de ankerbalk en in de brandmuur een aantal balkjes. Door middel van een grote brug, die los op de waterzolder lag en voor het gebruik eenvoudig naar beneden getrokken kon worden, werden de koeien naar boven gebracht. Daar stonden ze met hun kop naar de brandmuur en met hun kont naar het stalgedeelte. De mest liep dan gewoon de stal in, waar meestal ook al water stond. De gebruikte vloerdelen bestonden uit duimdikke planken.

De koeien waren in die tijd veel kleiner van stuk (ze hadden een veel lagere schofthoogte) en waren ook lichter dan nu, maar toch moest de vloer een heel gewicht kunnen houden. Overigens bedroeg het aantal koeien per boerderij nooit meer dan een stuk of tien. Er was dus ruimte voldoende.

ANDERE ZORGEN
De boeren hadden regelmatig te kampen met andere zorgen, zoals veepest, muizenplagen en dierziekten. Er veranderde veel toen aan het einde van de 19e eeuw de mechanisatie zijn intrede deed.

Tekening van een waterzolder. ( Tekening: P. Verhagen. Uit: de Stem van het water).

De Hooizolder

RAAMPJE
Bij de trap naar De Etage is een luikje in de muur aangebracht. Daar was vroeger een raampje. Hierdoor kon de boer vanuit de mooie kamer in de stal kijken. Zo kon hij het vee in de gaten houden. De andere kant van dit raampje komt precies uit in de roetbaan van de haard. Dit betekent dus dat lange tijd die haard niet is gestookt. Helaas is daarvan niets meer te achterhalen. Een soortgelijk raampje bevond zich ook in de muur tussen de mooie kamer en de woonkeuken. Dat was om vanuit de mooie kamer de meiden en de knechten in de gaten te houden. Die verbleven overdag voor de koffie, het eten of in gezelschap met elkaar in de vroege avond nogal eens in die ruimte

HOOIOPSLAG
Wat nu De Etage wordt genoemd, was vroeger de hooizolder. Hier werd in de zomer het hooi opgeslagen, zodat het vee in de winter ook te eten had. Het binnenhalen van het hooi was een bijzondere activiteit, waarbij het hele gezin en veelal ook de buren mee kwamen helpen. Meestal een haastklus, vooral als er regen dreigde.

HOUTEN SKELET
U ziet op De Etage nog grote delen van de oorspronkelijke houten constructie, die het skelet van de boerderij vormt. Bij de bouw van een boerderij werden op de grond eerst de poeren (naar boven toe taps lopende steunberen) gemetseld, waarop verticale gebintstijlen werden gezet. Deze zware eiken- of grenen balken werden met ankerbalken (dwars in het gebouw liggend, van de ene zijkant naar de andere zijkant) en strijkbalken of dekplaten (met de lengte van het gebouw meelopend) aan elkaar verbonden.

De balken (de gebinten) werden heel vroeger met leren riemen of touw aan elkaar vastgebonden, vandaar de naam gebinten waar het woord binden nog in terug te vinden is. Later gebruikte men hiervoor houten pennen, die hier en daar nog te zien zijn en weer later ijzeren pennen. De juiste bouwwijze vroeg veel aandacht van de plaatselijke timmerman, die meestal de bouw van een boerderij voor zijn rekening nam, want de boerderij moest bij de meest zware stormen  overeind blijven staan.

BEDSTEDEN
In de brandmuur zitten op De Etage gaten. Hier hebben ooit bedsteden gezeten. Toen deze boerderij in 1988/1989 tot museum werd verbouwd moest de tot expositieruimte omgebouwde stal een hoger plafond krijgen en werd dus de vloer van de zolder erboven een stuk verhoogd om zowel beneden als hier boven voldoende hoogte te krijgen. Een bijkomend probleem daarbij was dat de ankerbalken op de zolderruimte zo laag kwamen te liggen dat ze de doorgang belemmerden. Daarom moesten die ook flink worden verhoogd. In de bedsteden sliepen de knechten, die dan tegelijk dicht bij het vee waren en dat in de gaten konden houden.
De meiden sliepen samen met de kinderen van het boerengezin op de voorzolder, dus aan de andere kant van de brandmuur.

De voormalige stal

VEE
In de stal stond voor het laatst op 29 april 1970 vee. Toen verhuisde de laatste boer, Johannes (kortweg Hannes) Muilwijk, naar een grote boerderij in Groningen.

INRICHTING
De koeien zijn in deze stal vermoedelijk op verschillende manieren gestald geweest. Van oorsprong zal het een potstal geweest zijn, waar de koeien op stro liepen, waar de mest gewoon inzakte. Later kwam er een grupstal, waarbij er mestafvoergoten kwamen aan de zijkant en toen er mee koeien werden gehouden kwamen er afvoergoten dwars in de stal. Omdat aan de westkant (waar nu de kantoren zijn) ooit de mestvaalt was, nemen we aan dat de koeien in eerste instantie aan die kant ook tegen die buitenmuur hebben gestaan, met hun kop naar het midden. Dat was ook gemakkelijk voeren, want het hooi lag in het midden van de stalruimte en kon eenvoudig voor de koeien geschoven worden. Toen er meer koeien kwamen, begin 20e eeuw, stonden ze in rijen in de breedte van de boerderij. Weer later zijn er achter het hoofdgebouw ook stalruimten gebouwd.

HOOIZOLDER
Later, toen er behoefte kwam aan meer stalruimte, moest daar meer plaats voor komen en verhuisde het hooi naar de inmiddels boven de stal gemaakte hooizolder. Dat hoger bewaren van het hooi had ook als groot voordeel dat het bij een overstroming niet nat werd.

UITBREIDINGEN
In de loop van de jaren gingen de boeren steeds meer vee houden. De opkomende mechanisatie maakte dat mogelijk en de arbeidskosten waren laag. Dus een beetje rijke boer had al snel meerdere meiden  en knechten, die bij de bedrijfsvoering hielpen. Op enig moment is er aan het hoofdgebouw een schuur gebouwd, die dienst deed als paardenstal. Toen de paarden later achter op het erf een eigen stalling kregen, werd deze ruimte gebruikt voor het apart zetten van koeien die ziek waren of moesten kalveren.

EXPOSITIERUIMTE
Sedert de opening van Museum De Koperen Knop is deze ruimte expositieruimte voor de wisselexposities die hier zo’n vier tot vijf keer per jaar plaatsvinden.

BIJGEBOUWEN:

* De Smederij
* De Wagenschuur
* De Hoepelmakerij
 *Het Stookhuisje
* Het Theehuisje

De Smederij

De dorpssmederij van Giessen-Oudekerk moest in 1995 wijken voor woningbouw. De smederij is nagebouwd op het terrein van het museum en alle objecten uit de boerensmederij zijn hierheen verhuisd.

De Wagenschuur

Tegen de smederij staat een aangebouwde authentieke wagenschuur. Dergelijke schuren stonden vroeger op elk boerenerf, voor boerenwagen, tilbury, mestkar en kruiwagens. Sommige boeren hadden ook een rijtuig.
Neringdoenden zoals marskramers of scharensliepen, lieten hun goederen en slijpwagen vaak voor de nacht over in de wagenschuur bij een betrouwbare boer, terwijl ze zelf naar huis liepen om te gaan eten en slapen.

De Hoepelmakerij

In de Alblasserwaard is de grond drassig. Hierdoor moesten de boeren in de 15e eeuw overgaan van graanteelt op veeteelt. De zuidrand bleef hinder houden van door onder de dijk doorsijpelend kwelwater. Daarom ging men hier over op de productie van griendhout, onder meer voor de talloze houten hoepels voor verpakkingsvaten die gebruikt werden voor de sinds 1850 opgekomen levensmiddelenindustrie.

Het Stookhuisje

Bij veel boerderijen stond vroeger een stookhuisje.  Vanwege het brandgevaar van de houten boerderijen met rieten daken wilde men in de boerderij zo weinig mogelijk vuur maken. Daarom kwam er een stookhuisje, meestal dicht bij een sloot.
Daar werd waswater gekookt of maakte men het vervoer voor de varkens. Ook gebruikte men ze bij de slacht en later als berging van de tuinbanken en uiteindelijk als kinderspeelhok.

Het huisje achter De Koperen Knop hoorde vroeger bij de boerderij iets verderop, op het adres Binnendams 48. Daar werd het steen voor steen afgebroken en hier achter het museum weer opgebouwd.

De Museumtuin

In 1994 is de museumtuin in haar huidige vorm aangelegd. In de tuin is een aantal elementen van natuurlijke historie van de Alblasserwaard in beeld gebracht. Met knotwilgen, in grondhoogte verschillende weilandjes, grienden, sloten, greppels en een boerenboomgaard.

Knotwilgen vervullen van oudsher de rol van leverancier van geriefhout, terwijl ze het vee schuilplaatsen geven tegen regen, wind en zon. De hoogte van het maaiveld van weilanden bepalen de soort vegetatie en bij elke boerderij waren vroeger fruitbomen te vinden. Hier wordt in de historische boomgaard een aantal oude appel- en perenrassen in stand gehouden.